Het onderwijs van HJBC is gericht op competentieleren. Je wordt van het begin van je opleiding getraind in het ontwikkelen van een beroepsidentiteit en het ontwikkelen van inzicht in je persoonlijke effectiviteit en loopbaanvaardigheid.("employability").
Competentiegericht onderwijs heeft een aantal belangrijke kenmerken.
Naast de eisen die HJBC zelf aan haar onderwijs stelt, houdt HJBC rekening met Nederlandse kwaliteitseisen en internationale ontwikkelingen.
De opleiding kent een propedeutische en postpropedeutische fase, ook wel hoofdfase genoemd. De studielast van de propedeuse fase (het eerste studiejaar) bedraagt 60 studiepunten en die van de propedeutische fase 180. Aan beide fasen is een examen verbonden.
De propedeutische fase (propedeuse) is zodanig ingericht dat je inzicht krijgt in zowel de inhoud van je opleiding, als inzicht in het toekomstige beroepenveld (oriëntatiefunctie). Mede op grond van dat inzicht kun je – tijdens of aan het eind van die fase – besluiten om met de opleiding te stoppen. Ook de opleiding kan uiteindelijk besluiten dat het beter is dat de student de opleiding niet voortzet.
Uiterlijk aan het einde van het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase krijg je van de opleiding een schriftelijk studieadvies. Het advies is positief als je je propedeuse (60 studiepunten) hebt behaald. Als je in het eerste jaar minder dan 45 studiepunten hebt behaald en de opleiding je daarmee ongeschikt acht voor de opleiding, krijg je een bindend negatief studieadvies BNS. Dit betekent dat je de opleiding niet mag vervolgen en dat je direct uitgeschreven wordt. Een bindend negatief studieadvies krijg je alleen, wanneer je minimaal 40 werkdagen voorafgaand aan het bindend negatief studieadvies – als waarschuwing – een voorlopig negatief studieadvies hebt ontvangen, zodat er een redelijke termijn rest om de studieresultaten nog te kunnen verbeteren. Officiële feestdagen, zater- en zondagen vallen niet onder werkdagen. Bij het bepalen van de termijn van 40 werkdagen moet rekening gehouden worden met de onderwijsvrije dagen conform het HJBC jaarrooster.
Als je in je eerste jaar 45 studiepunten of meer hebt behaald, maar nog niet geslaagd bent voor de propedeuse krijg je een voorlopig positief advies. Met name een hoge inzet is één van de voorwaarden om de studie met succes binnen een redelijk geachte termijn af te kunnen ronden. Ook als je na twee jaar je propedeuse nog niet hebt behaald, krijg je een bindend negatief studieadvies. Bij het bepalen van het studieadvies houdt de opleiding rekening met je persoonlijke omstandigheden.
Zie ook de Onderwijs- en Examenregeling, paragraaf 7. Deze paragraaf omvat een volledig overzicht van de regels die gelden bij het studieadvies propedeutische fase.
HJBC volgt in zijn visie op leren in grote lijnen het sociaal constructivisme als basis voor het competentiegericht leren. De constructivistische theorie gaat er van uit dat het verwerven van kennis en vaardigheden niet zozeer het gevolg is van een directe overdracht door de docent, maar eerder het resultaat van denkactiviteiten van de studenten zelf: we leren door nieuwe informatie te verbinden aan wat we al weten. Het constructivisme benadrukt daarmee de actieve rol van de leerling bij het verwerven van informatie en het verwerven van kennis en vaardigheden. Sociale processen spelen hierbij een belangrijke rol. Kennis wordt niet alleen individueel geconstrueerd, maar wordt ook steeds weer gespiegeld aan de opvattingen van anderen.
Het constructivisme is ontstaan uit maatschappelijke ontwikkelingen. Een groot aantal van de soms stormachtige ontwikkelingen in onze maatschappij is terug te voeren op de steeds kortere looptijd van kennis. Eens geleerde kennis is niet meer voldoende om als beroepsbeoefenaar te kunnen functioneren. Beroepsbeoefenaren moeten niet alleen over vakkennis en vakvaardigheden beschikken, maar hiervan ook effectief en efficiënt gebruik maken in nieuwe, onbekende en deels onvoorziene situaties. Er is in de maatschappij behoefte aan competente beroepsbeoefenaren die nieuwe oplossingen kunnen bedenken voor nieuwe problemen, en niet aan mensen die uitsluitend oplossingen voor bestaande problemen hebben geleerd.
Als onderwijskundige uitgangspunten gebruikt HJBC daarom de volgende uitgangspunten:
De student verwerft beroepscompetenties door leerarrangementen waarin de realiteit van het beroepsmatig handelen het uitgangspunt vormt.
Om beroepscompetenties te ontwikkelen zijn de onderwijseenheden zo ingericht dat de reële beroepssituatie het uitgangspunt vormt. Permanente reflectie op het beroep en de beroepsuitoefening is ingebouwd in het onderwijs en komt zowel in de begeleiding als in de toetsing tot uitdrukking; m.a.w. je spiegelt je als student continu aan de eisen van het beroep.
De student leert leren ("leren leren", levenslang leren).
De snelle veranderingen in het werk van een professional maken het noodzakelijk dat de professional voortdurend zijn expertise aanpast, uitbreidt en/of verlegt. We gaan er daarom van uit dat je als student een houding ontwikkelt waarin 'life long learning' (levenslang leren) een vanzelfsprekendheid is.
De student is in een toenemende mate in staat om zijn eigen leerproces (product en proces) te sturen.
Je bent als student in toenemende mate verantwoordelijk voor je eigen keuzes ten aanzien van je leren (proces en product, het hoe en het wat). Dit vraagt van je dat je een goed inzicht hebt in je eigen sterke en zwakke eigenschappen, en een goed inzicht in de manier waarop je leert. Reflectie op deze kwaliteiten en de eigen wens en mogelijkheden om deze in te zetten en evt. aan te passen t.b.v. de toekomstige beroepsuitoefening vinden we van groot belang.
De opleiding die de student volgt voert een continue dialoog met het werkveld.
Omdat de opleiding het beroep en de benodigde competenties daarvoor centraal stelt, zijn er nauwe contacten met het werkveld op alle niveaus van de opleiding. Zo zullen ook beroepsbeoefenaren uit het werkveld meewerken aan de beoordeling van studenten.
De student leert voor een beroep waarin het vraaggericht handelen het paradigma is.
Een professional in de dienstverlening werkt vraaggericht. De vraag van de cliënt staat centraal bij het zoeken naar een oplossing. De professional helpt de cliënt de goede vraag te formuleren. Het kennen en respecteren van andere disciplines, maar ook het kunnen samenwerken t.b.v. de afstemming van het gezamenlijk werk, is hiervoor een vereiste.
Domeinomschrijving/-afbakening
Het domein biedt een programma aan dat tot doel heeft om op te leiden tot beginnend health-professional binnen het terrein van het paramedische werkveld.
De health-professional richt zich op het leveren van een bijdrage aan de bevordering van de gezondheid van een individu, een groep en/of een organisatie. De bijdrage bestaat uit het nemen van initiatief tot het ontwikkelen en begeleiden van trajecten gericht op bewustwording van eigen gedrag. Het uitgangspunt daarbij is een proces- of ketengerichte benadering hetgeen een integrale benadering impliceert.
De integrale benadering komt tot uitdrukking in het handelen dat zich richt op kansen, vragen en problemen binnen een specifieke context waarbij oog is voor het behalen van resultaten (doelmatigheid en doeltreffendheid).
Cliënt
In het profiel van de health-professional wordt het begrip 'klant' gebruikt in een brede betekenis:
De werksetting
De health-professional werkt binnen en vanuit een organisatorisch verband. Hoe klein (eenmanspraktijk) of groot (instelling voor gezondheidszorg of adviesbureau) deze ook is, hij heeft altijd te maken met andere professionals. Kenmerkend voor de integrale benadering is het leveren van een bijdrage aan een keten van zorg, los van organisatorische verbanden. Het belang van het functioneren in netwerken is voor de health-professional dan ook groot.
Het beroepenveld verwacht nieuwe en andere kwaliteiten van HJBC afgestudeerden dan voorheen. Afgestudeerde Hbo'ers moeten niet alleen beroepsbekwaam zijn, maar ook in staat zijn hun eigen ontwikkeling na de opleiding vorm te geven. Ze moeten, eenmaal aan het werk, in staat zijn om nieuwe kennis en oplossingen te produceren en om effectief en efficiënt gebruik te maken van kennis en vaardigheden in nieuwe, onbekende en deels onvoorziene situaties. HJBC wil daar recht aan doen door gebruik te maken van beroepstaken.
Beroepstaken zijn betekenisvolle, hele taken zoals deze in al hun complexiteit in de werkelijkheid door de beroepsbeoefenaar (expert) worden uitgevoerd. 'Hele' taak wil zeggen dat deze niet worden opgeknipt in deelaspecten maar door studenten steeds in zijn totaal worden geoefend.
Het domein hanteert 3 beroepstaken:
Om de beroepstaken te kunnen uitvoeren, heb je een samenhangend geheel van kennis, vaardigheden en attitude nodig. Dit geheel van kennis, vaardigheden en attitude wordt een competentie genoemd. Elke beroepstaak vraagt om bepaalde competenties.
Het domein kent een profiel voor de beroepen waartoe binnen het domein wordt opgeleid, het zogenaamde domeinprofiel. Dat profiel bestaat uit competenties of bekwaamheden waarover de health-professional geacht wordt te beschikken. Het betreft de volgende domeincompetenties:
Het beroep waarvoor opgeleid wordt: paranormaal, energetisch therapeut
Definitie en maatschappelijke context
Definitie
Paranormaal energetisch therapeut is een paramedisch beroep. Een paranormaal energetisch therapeut begeleidt, behandelt of adviseert cliënten met als doel te bevorderen: het vermogen van de cliënt om activiteiten uit te voeren en/of te participeren in de maatschappij. Daarbij staat centraal het (herstel van het) gevoel van welbevinden van de cliënt.
Voor paranormaal energetisch therapeuten is gezondheid meer dan de afwezigheid van ziekte. Uitgangspunt van het beroep paranormaal, energetisch therapeut is dat mensen door te 'handelen' (ofwel door het uitvoeren van activiteiten) betekenis geven aan hun bestaan. Denk hierbij aan activiteiten in het kader van betaald of onbetaald werk, vrijetijdsbesteding en/of zorg voor jezelf of anderen.
Maatschappelijke waarde van de paranormaal energetisch therapeut
De paranormaal energetisch therapeuten werken met cliënten die niet (meer) in staat zijn om activiteiten uit te voeren die voor hen belangrijk zijn. Dit kan veroorzaakt zijn door een aangeboren handicap, een trauma of ziekte. Het resultaat van geslaagde paranormaal energetisch therapeutische interventie is een toegenomen tevredenheid van de cliënt over zijn handelen. Verschillende studies hebben aangetoond dat de interventies van paranormaal energetische therapeuten effectief zijn (met als uitkomsten de toegenomen zelfstandigheid en maatschappelijke participatie van de cliënt).
Naast deze opbrengst voor de cliënt zijn er ook studies die aantonen dat paranormaal energetische therapie de druk op duurdere zorg kan doen afnemen.
De beroepsverenigingen (Verbond) geven de volgende definitie in hun beroepsprofiel van 2002:
In de paranormale geneeswijze wordt uitgegaan van het zelfgenezend vermogen van de mens. Dit zelfgenezende vermogen kan ondersteund worden door een van het menselijk organisme uitgaande 'energie' die overdraagbaar is van de ene mens op de andere en waarbij uiterlijke hulpmiddelen slechts een secundaire, begeleidende functie kunnen vervullen. Deze therapeutische overdracht van levensenergie kan door direct lichamelijk contact tot stand gebracht worden – zoals het opleggen van de handen en het maken van strijkende bewegingen – of door middel van met die kracht geladen voorwerpen, dan wel door geestelijke concentratie zonder meer. In verschillende culturen wordt deze energie met verschillende termen aangeduid zoals prana (India) of ch'i (China).
Voor de specifieke diagnostische informatie is de paranormaal therapeut aangewezen op informatie die niet langs de gebruikelijke zintuiglijke weg verkregen wordt, maar berust op zgn. buitenzintuiglijke waarneming, de verschillende vormen van paragnosie of GESP (general extrasensory perception).
Vanuit het oogpunt van de cliënten kan paranormaal energetische therapie beschouwd worden als een zoektocht naar mogelijkheden om activiteiten die zij waardevol vinden, op welke manier dan ook, (weer) uit te voeren. Tijdens paranormaal energetische therapie oefenen cliënten met het uitvoeren van activiteiten met als doel herstel van normaal handelen of het verwerven van een andere (aangepaste) manier van handelen. Hulpmiddelen en aanpassingen kunnen hierbij ondersteuning bieden. Niet zelden is er voor cliënten tijdens het paranormaal energetisch therapeutisch proces aanleiding om zich te heroriënteren op hun eigen waarden en ambities: niet altijd is herstel van het patroon van handelen zoals zij dat gewend waren geheel mogelijk of wenselijk. Het begeleiden van dit vaak pijnlijke proces behoort ook tot de expertise van de paranormaal energetisch therapeut. Het zoeken van een balans tussen eigen ambities en het vermogen tot handelen, het zoeken naar een nieuw, bevredigend patroon van handelen maakt dan ook onderdeel uit van het paranormaal energetisch therapeutisch proces.
Het werkveld, c.q. de organisatorische context
Paranormaal energetisch therapeuten werken op het terrein van gezondheids- en welzijnszorg als behandelaar, begeleider en/of adviseur in individuele praktijken en/of groepspraktijken. Daarnaast zijn paranormaal energetisch therapeuten op het gebied van arbeid in preventieve zin werkzaam en zijn ze gericht op re-integratie in het arbeidsproces.
Voor de domeinberoepstaken zijn de majorcompetenties van de paranormaal energetisch therapeut van groot belang. Uitgangspunt voor een competentie die de beginnende paranormaal energetisch therapeut dient te bezitten is de integratie van kennis, vaardigheden en attitudes. De competenties samen vormen het eindprofiel van de opleiding. Hieronder volgt een omschrijving van de majorcompetenties gerangschikt, zodat inzichtelijk wordt hoe domein en majorcompetenties zich verhouden:
Deze majorcompetenties staan uitgebreid beschreven en worden bij aanvang van de studie aan de studenten uitgereikt. Competenties zijn nodig om een beroepstaak adequaat uit te voeren. Bij elke beroepstaak horen dan ook enkele competenties, soms kan één competentie onder meerdere beroepstaken vallen. In onderstaand schema wordt de relatie tussen beroepstaak en majorcompetenties weergegeven.
| Domeinberoepstaak | |||
|---|---|---|---|
| Verrichten | Inrichten | Richten | |
| 1a. Diagnosticeren | X | ||
| 1b. Interveniëren I; behandelen en begeleiden | X | ||
| 1.c Interveniëren II; preventie, voorlichting en advisering | X | ||
| 2. Werken aan kwaliteit | * | X | * |
| 3. kennisontwikkeling en professionalisering | * | * | X |
| 4. Ondernemen | X | ||
| 5a. Bijdragen aan organisatieprocessen | X | ||
| 5b. Begeleiden en coachen | X | ||
| 6a. Bevorderen eigen deskundigheid en ontwikkeling | * | * | X |
| X = op de voorgrond aanwezig * = op de achtergrond aanwezig |
|||